Fascinatie is de sleutel tot kwaliteit

Redactioneel & kolommetje – restauratie-ethiek, mede in de orgelkunst

Rens Swart
Gepubliceerd als redactioneel en gelijk als 'kolom' in het Cuypersbulletin 1999–3, nieuwsbrief van het Cuypersgenootschap

Je blijft je soms verbazen over hoe weinig vanzelfsprekend de uitgangspunten van het Cuypersgenootschap blijkbaar toch zijn. Enige tijd geleden zag ik, in een aflevering van een programma waarin mensen hun vermeende kostbaarheden kunnen laten taxeren door deskundigen, een man met een staande klok aan bod komen. De klok had een voor kenners wat merkwaardige vorm. Het was een zeventiende- of achttiende-eeuwse klok en klokken hadden in die tijd nog een wijzerplaat in een rechthoekige omlijsting. Deze klok echter was in de negentiende eeuw verbouwd: de bovenkant van de kast om de wijzerplaat was verbouwd tot een halve cilindervorm, zodat daarin een maangestaltenschijf een plaats kon krijgen. De taxateur bezigde een toon waarin de afschuw over deze verminking doorklonk, al merkte hij wel op dat de verbouwing "zo langzamerhand al bijna zelf antiquiteitswaarde krijgt".

Toch gaf hij het advies de klok weer in de oorspronkelijke staat te laten terugbrengen. Ik heb geen verstand van klokken, al heb ik er wel oog voor, maar de in mijn ogen overtuigende klok, die voor mij juist waarde zou hebben vanwege de merkwaardige geschiedenis, zou dan in feite toch een groot deel van zijn historische waarde verliezen. Of ik daarin gelijk heb, is tamelijk 'objectief' te meten. De waarde in de ogen van deskundigen en verzamelaars is wat op veilingen vergelijkbare objecten opbrengen. En dat is precies wat de inbrengers tijdens een programma als dit ook willen weten. De deskundige onthulde dus het oordeel van de markt: de klok in huidige staat zou zo'n ƒ 10.000 opbrengen, de in oorspronkelijke staat teruggerestaureerde klok zou makkelijk ƒ 40.000 opbrengen … Vermoedelijk is een zwaar gerestaureerde klok dus niet minder waard dan een originele.

Daarmee is wel bewezen dat 'de markt' toch andere ideeën heeft dan wij. Dat bleek ook overduidelijk uit de reacties op de tentoonstelling met de veelzeggende titel De lelijke tijd in het Rijksmuseum in Amsterdam, begin 1996. Wie het voorwoord van het bijbehorende boek leest, begrijpt dat deze tentoonstelling niet bedoeld was om aan te tonen wat voor een vreselijke wansmaak er in de negentiende eeuw toch heerste. Naar de mening van velen was dat echter precies wat de tentoonstelling deed – en ook leek te beogen.

In Cuypersbulletin 1996–3 publiceerde ik een artikel waarin ik signaleerde dat de restauratie-ethiek zoals men die in de omgang met gebouwde monumenten doorgaans hanteert, in de daaraan toch tamelijk nauw verwante wereld van monumentale orgels veel minder vanzelfsprekend is. Alles wat van vóór 1880 is, wordt vrijwel automatisch hoger aangeslagen, maar vooral restauraties van oudere instrumenten die plaatsvonden na 1880 worden met graagte ongedaan gemaakt. Ik heb toen geprobeerd te zoeken naar waarom men daarvoor bij orgelmonumenten meer reden zou kunnen hebben dan bij gebouwde monumenten. Ik heb inderdaad verschillen geopperd die zouden kunnen bestaan tussen beweegredenen ten aanzien van orgelmonumenten en gebouwde monumenten. Met name het bedrijfszeker en gevoelig functioneren van een orgel leek mij zo'n reden. Eenheid en daarmee overtuigingskracht van klank is een andere mogelijke, al veel discutabeler reden.

De laatste tijd gaan er ook in de orgelwereld stemmen op om de restauratie-ethiek opnieuw te bezien, met flinke discussies als gevolg. Eén van de interessantste voorbeelden hiervan is de restauratie van het orgel in de Der-Aakerk in Groningen, waar een tot nu toe in de orgelwereld onvertoonde procedure plaatsvindt met betrekking tot de vergunningverlening in het kader van de Monumentenwet. Voor gebouwde monumenten hakt bijvoorbeeld het Cuypersgenootschap al jaren met dat bijltje. Deze procedure leidt tot hoorzittingen bij de gemeente, waar in Groningen voor- en tegenstanders in woord en geschrift nauwgezet elkaars argumenten bestreden. Overigens vindt u hiervan van de hand van Gerco Schaap in De Orgelvriend 1999–4 en –5 een uitstekend verslag.

Het lijkt mij dat een soortgelijke verkenning van de restauratie-ethiek ook voor instrumenten als klokken zou kunnen worden ondernomen. Argumenten als functionaliteit lijken mij daar – althans wat betreft de kastvorm – niet van toepassing, zodat de discussie toch zal moeten eindigen in de richting die ik hiervóór aanduidde. Wellicht zal het oordeel over 'gemoderniseerde' klokken dan ook verschuiven. Maar hoe lang het dan nog duurt voor het oordeel van 'de markt' is bijgesteld …

Orgels en zeker klokken zijn vooralsnog niet ons werkterrein; het bovenstaande zal ik dus maar betitelen als kolommetje of desnoods column. Vervolgen we nu met het redactioneel. [Omdat dit een aardig inkijkje geeft op wat er toen verder speelde en hetgeen ik hierboven schreef illustreert, laat ik dit hieronder ook volgen. – Rens Swart, juni 2016.]

De restauratie-ethiek en de restauratie van negentiende-eeuwse gebouwen en interieurs waren onder meer wat aan de orde kwam tijdens het op 3 en 4 september in Enschede mede door het Cuypersgenootschap georganiseerde symposium. Een korte impressie vindt u achterin dit Cuypersbulletin voor een inhoudelijk verslag nodig ik hierbij een lid uit dit te schrijven en hierover contact met mij op te nemen.

Tijdens het symposium werden ook de handelingen van het vorige restauratiesymposium gepresenteerd; over de bestelling hiervan vindt u een kort artikeltje op de volgende pagina.

Secretaris René Vossebeld schrijft over de toch ook in de wereld van gebouwde monumenten soms nog onvoorstelbare omgang met jonge waardevolle gebouwen. Een bijzonder gebouw op vliegveld Twente waarop nota bene rijksbescherming rustte, werd, ondanks dat de opdrachtgever zich volledig bewust was van de juridische consequenties, zonder pardon gesloopt.

Deze brute stap, waarbij ook de Rijksdienst voor de Monumentenzorg zich niet van zijn beste kant heeft laten zien, kunnen we natuurlijk betitelen in termen van verontwaardiging. Aardiger is het echter de zaak eens van een andere kant te bekijken. Volgens de Monumentenwet is een dergelijke overtreding een misdrijf en de gevangenisstraf hiervoor beloopt maximaal een jaar, de geldboete ten hoogste honderdduizend gulden voor personen en ten hoogste één miljoen gulden voor rechtspersonen. Als het Openbaar Ministerie daar nu eens werk van zou willen maken, zouden dergelijke misdrijven wellicht iets minder vaak voorkomen. Voor zover ik weet, is een dergelijk misdrijf nog nooit voor de rechter geweest.

Sloop is niet altijd onontkoombaar als een monumentaal gebouw niet meer aan de eisen voldoet. Creatieve vakmensen kunnen tot zeer bevredigende oplossingen komen waarbij het monument als uitgangspunt dient. De Laurentiuskerk in Dongen is zo'n kerk die te groot was en bovendien niet de gewenste parochiezalen bevatte. Professor dr.-ing. Jos Tomlow, hoogleraar Grundlagen der Gestaltung und Denkmalpflege aan de Hochschule für Technik, Wirtschaft und Sozialwesen in Zittau/Görlitz, doet in dit Cuypersbulletin verslag van een degelijke creatieve, geslaagde zoektocht naar herinrichting van het monument. Het kerkbestuur in Dongen boft hierbij in zoverre, dat het ontwerp op initiatief en kosten van de hogeschool gemaakt is; dat plannen gemaakt door deskundigen geld kosten, kan in ieder geval geen reden meer zijn niet serieus meer naar herinrichting te kijken.

Om het allemaal ook eens van dichtbij te kunnen bekijken, vindt u in (en los bij, voor de mensen die gewend zijn tijdschriften enige maanden terzijde te leggen) dit Cuypersbulletin ten slotte een uitnodiging voor de excursie naar Hilversum op zaterdag 9 oktober 1999.

Reactie restauratie-ethiek orgels Henk Verhoef

Henk Verhoef (adviseur Katholieke Klokken- en Orgelraad), Cuypersbulletin 1999–4

Met belangstelling las ik de kolom van Rens Swart in Cuypersbulletin 1999–3 over restauratie-ethiek. Vooral de alinea's over orgels en klokken geven mij, als adviseur namens de Katholieke Klokken- en Orgelraad, aanleiding u te schrijven. Inderdaad is er een belangrijk verschil tussen het restaureren van een gebouw en een orgel. Bij een muziekinstrument is immers een deel van de monumentale waarde in de klank gelegen en daarmee in het gebruik. Een term als 'eenheid van het klankbeeld' – en in feite de discussie over mooi en lelijk – is daarom bij de restauratie van muziekinstrumenten niet te vermijden.

Maar uw indruk van de restauratiepraktijk bij orgels is door de feiten ingehaald. Al sinds de jaren '70 is een kentering waar te nemen en zeker al sinds de jaren '80 wordt de orgelbouw van rond 1900 volstrekt serieus genomen. Ook de jaren '30, lange tijd beschouwd als dieptepunt in de orgelbouw, worden niet langer meer afgedaan als vervalperiode.

Naschrift Rens Swart

De reactie van adviseur Verhoef bevestigt mijn vermoeden over de uitkomst van mijn zoektocht naar het ervaren verschil tussen restauraties van gebouwen en die van orgels. Beschouwen monumentenzorgers "de discussie over mooi en lelijk" in het algemeen als een hellend vlak en daardoor (althans officieel) als een onbegaanbare weg, Verhoef geeft aan dat dit onder deskundigen op het gebied van orgels en andere muziekinstrumenten toch anders ligt. Gedeeltelijk lijkt dit mij onvermijdelijk, gedeeltelijk zullen we toch moeten komen tot objectiverende criteria.

Dit lijkt mij interessante stof voor een ooit over dit onderwerp te organiseren symposium. Enige orgeldeskundige belangstellenden hebben zich reeds achter dit idee geschaard. Dan kunnen we gelijk spreken over wat Verhoef in zijn laatste alinea verklaart.

Lees ook: Orgelkunst rond 1900, een kritische analyse door Rens Swart en bespreking symposiumbundel

Met vriendelijke groeten,
Rens Swart